Laatste blog uit India – mijn oude huis en werken in Delhi.

Spoorloos… opzoek naar ‘mijn oude huis’…

En dan breekt de dag aan waarop we mijn oude huis gaan bezoeken. Ik weet niet goed wat ik ervan verwacht, maar tegelijkertijd voel ik heel sterk dat ik naar deze plek wil. Zien, ruiken, voelen. Het adres staat op de voorkant van de adoptiepapieren, net boven de zwart-wit pasfoto van dat kleine hummeltje. Ik had er niet over nagedacht dat alle mensen die we de weg zouden vragen het hele papier zouden zien. Vind dat even gek, maar ergens klopt het ook wel. Ik ga immers op zoek naar het huis waar dat kleine hummeltje heeft gewoond.

We vinden een riksja-rijder die ons wel wil helpen. Het is een half uur rijden. Ik laat de wind langs mijn gezicht waaien en voel dat ik misselijk ben. Hoe zou mijn moeder de weg hebben afgelegd naar dit huis? Zou ze er nog wel eens aan denken? Ik zie vrouwen lopen en stel me voor hoe ze een ‘gewoon Indiaas’ leven leeft. Waarschijnlijk met man en kinderen die van mijn bestaan niet afweten.

Gautum Nagar. Na de vele grote rotondes en lange brede straten (leeg en rustig door de zondag) slaan we linksaf en hobbelen we de wijk in. Netjes (voor hier) en met veel nieuwbouw. Onze riksja-man stapt geregeld uit en loopt met mijn papier rond om te vragen. Als we er bijna zijn wil ik het papier afpakken en zelf zoeken, maar ja, wie zegt dat we goed zitten. Ik loop een straatje in en zie huisnummers die in de buurt lijken te komen. Ineens denk ik het te weten, zonder te herkennen heb ik (met wat logica aan m’n zij) een heel sterk gevoel van waar ik heen moet. Ik ga sneller lopen en wil gaan rennen. Maar onze riksja-man roept ons terug. We rijden een straatje in, de hoek om en daar is het. Zoals op de foto die ik in mijn handen heb. De omgeving is anders, maar het huis is onmiskenbaar. Vierkant en met het balkon aan de voorkant. Hier heb ik dus gewoond, hier was ik 25 jaar geleden, hier heb ik leren zitten en waarschijnlijk leren staan, hier heeft mijn moeder (of een ander familielid) me naartoe gebracht. Er komt een vrouw naar buiten en ik leg haar uit dat ik hier gewoond heb en of zij nog iets weet uit die tijd. Ze woont er nog maar pas, maar heeft al wel vaker mensen gehad die terugkwamen. Ik mag even binnen kijken. De vloer, ik herken de vloer van de foto’s waarop ik met verzorgsters sta. Er schieten tranen in m’n ogen die ik direct weg stop, omdat dit immers ‘maar een huis’ is. Er is een andere vrouw die weet te vertellen dat de kinderen vroeger hier beneden woonden, dat de veranda open was en daar de kindjes werden achtergelaten. Ze weet te vertellen dat er vroeger een speelplaatsje was, maar dat er nu nieuwe gebouwen staan. Voor ik het weet staan we weer buiten. We blijven nog even staan en van binnen schiet het heen weer tussen ‘dit is de plek’ en ‘het is maar een huis’. Die tweestrijd maakt plaats voor een diep besef van ‘dit is het dus, verder zal ik niet kunnen gaan’. Als de letterlijke muren van dit huis, hier stopt het. Niets herinneren en toch zo’n 8 maanden, 240 dagen hier gewoond hebben. Aan de waslijn van één van de buurflats hangen kinderkleertjes.
We lopen een stukje en het blijkt dat mijn voorgevoel van ‘daar is het’ klopte. De abstractie van het me niet herinneren, samen met een gewoon woonhuis met gewoon leven erin wat ogenschijnlijk niets met mij te maken heeft… Ik krijg het moeilijk gewisseld. We belanden aan de kant van de weg op een buis. Mensen lopen langs. Ik zie een film, van een vrouw in kleurige kleren. De bovenkant van haar sari over haar hoofd geslagen waardoor er maar een stukje van haar gezicht te zien is. In haar armen heeft ze een doek met iets erin. Ze loopt niet snel, wel doelgericht…

Terug in de riksja zie ik in het achteruitkijkspiegeltje een Indiaas gezicht, met de juiste kleur na 5 weken zon en precies diezelfde grote donkere ogen van dat fotootje van dat kleine meisje. Toch tranen. Door de lucht fluister ik in stilte naar mijn moeder dat het goed met me gaat en dat het goed is. Ik denk aan mijn moeder in Nederland. De twee vrouwen die mij leven hebben gegeven, ik voel me diep verbonden met beiden.

De wind is fris, ik haal diep adem en zoek de hand van Tet.

1895 R: 127 G: 255 B: 192 X:39852 Y: 0 S: 546 Zs: 6 Zp: 116 F: 587 I: 0 ImgVer:08.01.09.10 het huis

Sister Aruna en ik in 1985 — het oude huis — Sister Aruna en ik in 2011

Werken in Shishu Sangopan Griha (SSG) en in the hostel

Maandagochtend, in het kantoortje bij Jim, blijken onze bedenkelijke voorgevoelens mee te vallen. We kunnen vier dagen werken op twee verschillende plekken. ‘s Middags in SSG met kinderen die in de slums wonen. ’s Ochtends werken we in the hostel, het buurgebouw waar 80 meisjes wonen. Soms wees, soms van alleenstaande ouders. Hiermee is onze week ineens volledig gevuld. Donderdag zullen we op beide plekken een korte eindpresentatie houden. Maandag is vooral kennismaken, en bij de SSG groep kunnen we wel al starten. We hebben een heel klein lokaaltje en het leeftijdsverschil is enorm. Ze willen ons eerst een paar dansacts laten zien. Wat een verschil met SKCV, dit gaat er rommelig aan toe en is verre weg van strak en gelijk. Ik vind het ontroerend om ze te zien bewegen, want dat kunnen al die Indiase mensen. Sierlijk en secuur (zelfs als het scheef en ongelijk gaat). We zitten nu echt aan de rand van de slums, wat een schoffies. De SKCV kinderen zitten helemaal in een getraind systeem van luisteren en in een groep wonen en leren, deze kinderen zijn losse uiteindjes die hier een fijne plek hebben maar ‘s ochtends en ‘s avonds onder hun zeiltje tussen het vuil liggen. Chaos, maar vol enthousiasme. Dat belooft wat.
De meiden van de hostel zijn een stuk “getrainder”. Ik noem het getraind omdat ze zo op afspraak en regels functioneren in de groep (‘op het kleedje is stil en naar de teacher kijken, we zeggen tegelijk ‘good morning’ sister en om 1 uur gaan we in de rij voor de lunch’). Hier wonen 80 meisjes. Het huis heeft een leuke binnenplaats en het ziet er allemaal goed uit. De meisjes dragen over de dikke truien prachtige glimjurkjes, die nog van kerst blijken te zijn. Ik schrik van de lege ogen van sommige kinderen, daarbinnen is iets doodgegaan, ook al hebben ze kerstjurkjes aan. We hebben verder een leuke groep met enthousiaste meiden. Er staat een lange bank en Tet en ik beginnen vanzelf te spelen en hebben daarmee een leuke introductie.

Dinsdag valt het op dat ook deze meiden het heel moeilijk vinden om zelf invulling te geven aan een spelopdracht. Maar dat is ook omdat ze dat totaal niet gewend zijn. Toen we ze in tweetallen lieten spelen stonden ze eerst als hulpbehoevende schapen rond te kijken met grote ‘help’ ogen, maar toen er geen respons kwam (de teacher kon maar één groepje sturen en wij hielden onze mond) gingen ze ineens zelf spelen. ‘s Middags bij SSG blijken er ineens kinderen bijgekomen te zijn. 34 kinderen, die voor het eerst kennis maken met spelen, die geen echte groep zijn en die van zeer verschillende leeftijden zijn, samen in een heel klein lokaaltje. Dat was hard werken, maar het enthousiasme en plezier maakten dat het goed was.

Ik vind het erg leuk om wat langer in dit huis te zijn. Sister Aruna, de vrouw die mij verzorgd heeft, is er nog steeds. Het is fijn om haar weer te ontmoeten. Ik vraag haar waar het wiegje stond in het oude huis. Ze vertelt dat dat gewoon op de grond stond, dat ik nog steeds hetzelfde gezicht heb maar minder bleek ben, dat ze zich mij goed herinnert omdat ze zelf nog zo nieuw was en alles moest leren en dat ik een verlegen kind was die ook veel lachte. Fijn dat ze dat zo vertelt.
Boven, op de plek waar jaren geleden nog allemaal kindjes in bedjes lagen, zijn nu toch ook kleine kinderen. Dit blijkt een daycare te zijn, de kinderen worden s ‘avonds gewoon opgehaald. Slecht twee bedjes zijn altijd gevuld. Twee gehandicapte kindjes, waarvan de één zichzelf dwangmatig wiegt en de ander lief lacht, met een naar voren stekend gebitje. Niemand wil deze kinderen.

Morgen werken we nog met beide groepen en donderdag een laatste repetitie voor we presenteren. De laatste presentatie is een paar uur voor we in het vliegtuig stappen. Heel raar.
We hebben de 1000 euro die we nog konden doneren, verdeeld over deze twee plekken (40.000 rupee voor SSG en 20.000 voor the hostel). Jim had het erover het geld in elk geval te gebruiken voor het project van de groep kinderen waar wij mee werken. Hij had het over medicijnen en andere medische benodigdheden omdat ouders niet naar dokters gaan. Verder moet alle materiaal gekocht worden om de kinderen te kunnen laten knutselen en tekenen en er zijn zo nog veel meer kosten. Mooie bestemming. En wat is het bijzonder dat we dankzij zoveel lieve mensen in Nederland, nu in dit verre gekke land op verschillende plekken een mooie donatie kunnen achterlaten.

dsc05762 dsc05783 R: 161 G: 255 B: 161 X:39852 Y: 0 S: 0 Zs: 4 Zp: 189 F: 703 I: 1 ImgVer:08.01.09.10

Woensdag
Deze dagen vliegen voorbij. We zijn dan ook de hele dag aan het werk en het voelt als ‘normaal aan het werk zijn’. Kan me zo voorstellen dat we hier nog maanden ‘gewoon’ werken. Maar dat is niet het geval. Morgen hebben we twee presentaties en dan is het gedaan. Missie volbracht.
We genieten volop, de kinderen genieten en we spelen vol energie en plezier. Waar is de tijd gebleven? Is het echt nu klaar?
We hebben ook van al deze kinderen foto’s gemaakt, toys gekocht en geregeld dat er voor de presentatie morgen iets lekkers is voor iedereen. Het geld is gedoneerd, onze Indiase simkaart ingeleverd en mijn tas staat ingepakt. Over het werk deze dagen valt vast nog veel te vertellen maar de dagen zitten te vol om rustig te kunnen reflecteren.

Nu het einde zo dichtbij komt zingt er de hele tijd een lied van Stef Bos door mijn hoofd:

“Ik voel me thuis hier, als een vreemde
iedereen herkent mijn accent.”

“Ik kom uit een land van schreeuwers,
ik heb geleerd hier om stil te zijn.”

“Ik kan niet terug, want ik kom nergens vandaan
al ga ik weg, ik blijf een vreemde.”

Een vreemde, ja… dat ben ik hier. Maar toch is Natasha ook een naam die me past, is de geur van India me ergens diep bekend en lijken deze gezichten die me passeren op dat van mezelf. Hoe zal ik weer terugschakelen naar dat witte, nette land waar ik ook altijd een beetje een vreemde blijf?

Volgende week zal ik nog één keer een blog schrijven. Als ik thuis zit, op mijn kamertje in Zeeland. Als het eerste stof is gaan liggen, als de longen weer gewend zijn aan de schone lucht en de dokter bezocht is om de gezondheid te checken.

Ik voel me een rijk mens. We hebben zoveel bijzondere en intense moment gehad, die afwisselden met ‘gewoon leven en gewoon werken’, wat nooit helemaal gewoon was. Ik heb alles mogen beleven, nooit was het teveel of te moeilijk. Zoveel mooie ontmoetingen, zoveel lieve kinderen, zoveel plezier. Te vroeg om te evalueren. Komt…volgende week…

R:  157 G:  255 B:  154 X:39852 Y:    0 S:    0 Zs:   3 Zp: 127 F:  731 I:    1 ImgVer:08.01.09.10 R:  128 G:  255 B:  186 X:39852 Y:    0 S:  357 Zs:   0 Zp:   1 F:  661 I:    0 ImgVer:08.01.09.10 pict4081

Donderdag
Toch nog een klein laatste berichtje uit India. Vandaag twee presentaties gehad, een drukke  dag maar ook een erg leuke dag. Zeker de laatste presentatie in Shishu Sangopan Griha was heel fijn. Voor het eerst hadden we echt publiek, Jim was er met zijn vrouw en kinderen en verder alle stafleden, van sisters tot teachers tot mensen van de administratie. Er was geen stress en veel plezier. Onze slum-schoffies waren ineens voorbeeldige kinderen die duidelijk gevoel hadden voor publiek (ze gingen een stuk beter spelen!). Wij genoten, het publiek lachte en de kinderen speelden èn genoten ervan elkaar te zien spelen. Beter kan het niet.
We presenteerden in de ruimte waar 6 jaar geleden nog kinderen op kleedjes lagen, waar ik elf jaar geleden voor het eerst binnenstapte – misselijk van de zenuwen. Wat bijzonder om hier nu zo te staan. Het voelde alsof ik iets kwam teruggeven. Jim was heel enthousiast en dankbaar. Hij zei dat hij vooraf eigenlijk geen idee had gehad wat hij zich voor moest stellen bij onze plannen. Na deze presentatie zag hij de waarde ervan. Ook benadrukte hij hoe ik ben veranderd en dat hij dacht dat dit vak mij heel veel goed heeft gedaan. En daar heeft hij gelijk in.

Tet ligt nu ziek in bed. We eten nog wat en proberen wat te rusten, want het belooft een lange nacht te worden met daarna een lange dag (jullie in Nederland lopen een paar uur achter op ons, dus dat verlengt nog extra). Hopelijk voelt Tet zich zo beter en komen we morgen brak maar ‘happy’ aan (zo happy als ze dat hier in India graag zien).

Dag India.
Dag lieve mensen die we hier hebben leren kennen.
Dag lieve Tet, bedankt dat we samen dit avontuur zijn aangegaan en hebben mogen beleven!

Op naar een nieuw avontuur, dat wil zeggen: thuis alles laten bezinken en weer tot de orde van de dag komen.

“Maria Sister en Natasha Sister in het nieuws”.

scannen0007